Fotografie Vaktermen


Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

A
Abbe-waarde
Een numerieke waarde die de dispersie van licht door optisch glas aangeeft. Hiervoor wordt het Griekse symbool v gebruikt. Wordt ook wel de optische constante genoemd. De Abbe-waarde wordt berekend met de volgende formule op basis van de brekingsindex voor drie lijnen van Fraunhofer: F (blauw), d (geel) en c (rood).

Abbe-waarde = v(d) = nd · 1/nF - nc

Bij een karakteristieke verdelingsgrafiek voor optisch glas wordt de Abbe-waarde uitgezet op de horizontale as en de brekingsindex van de d-lijn op de verticale as.

Aberratie
De ideale fotografische lens levert een beeld op met de volgende kenmerken:
  1. Een punt wordt weergegeven als een punt.
  2. Een vlak (zoals een muur) loodrecht op de optische as, wordt weergegeven als een vlak.
  3. Het beeld dat door de lens wordt weergegeven, heeft dezelfde vorm als het gefotografeerde object.
Bovendien moet een lens de kleuren van het object zo getrouw mogelijk weergeven, zodat het uiterlijk van het beeld en het gefotografeerde object overeenstemmen. Wanneer er alleen lichtstralen worden gebruikt die de lens dicht bij de optische as binnenvallen, en als het licht monochromatisch is (een specifieke golflengte heeft), is het mogelijk om bijna ideale lensprestaties te bereiken. Met echte fotografische lenzen, waarbij een groot diafragma wordt gebruikt om voldoende helderheid te bereiken, en de lens niet alleen licht moet convergeren dat vlak bij de optische as binnenvalt, maar licht moet convergeren van alle gebieden van het object, is het zeer moeilijk om de hierboven aangegeven ideale omstandigheden te evenaren wegens de volgende verstorende factoren:
  • Aangezien de meeste lenzen alleen worden samengesteld uit lenselementen met sferische oppervlakken, worden de lichtstralen die afkomstig zijn van één punt op het gefotografeerde object, in het beeld niet als een perfect punt weergegeven. (Een onontkoombaar probleem bij sferische oppervlakken.)
  • De positie van het brandpunt is verschillend voor verschillende lichtsoorten (golflengten).
  • Er gelden verschillende vereisten voor wijzigingen in de beeldhoek (met name bij groothoek-, zoom- en telelenzen).
De algemene term voor het verschil tussen het ideale en het feitelijke beeld, dat onderhevig is aan de hiervoor genoemde factoren, is "aberratie" (afwijking). Het ontwerp van een lens met hoge prestaties vraagt dus om een uiterst kleine afwijking, met als uiteindelijk doel een beeld dat het ideale beeld zo dicht mogelijk benadert. In het algemeen kent een lens twee soorten aberraties: chromatische aberraties, die optreden door verschillen in golflengte, en monochromatische aberraties, die optreden bij één bepaalde golflengte.

Achromatische lens
Een lens die chromatische afwijkingen corrigeert voor twee golflengten van het licht. Bij fotografische lenzen bevinden de twee gecorrigeerde golflengten zich in het blauw-violette en in het gele gedeelte van het spectrum.

Achterin scherpstellen
Scherpstellen gebeurt door één of meer lenselementen te bewegen die zich intern achter het lensdiafragma bevinden. Door interne elementen te bewegen hoeft minder gewicht te worden verplaatst, waardoor sneller en efficiënter kan worden scherpgesteld. Bovendien beweegt de voorkant van de lens niet tijdens het scherpstellen, wat ideaal is voor fotografen die gebruikmaken van filters.

Algehele lineaire verlenging
Het hele optische systeem van de lens beweegt recht naar achteren en naar voren wanneer wordt scherpgesteld. Kenmerkende voorbeelden van lenzen die gebruikmaken van dit soort scherpstelling zijn de EF 50 mm f/1.8 II en de TS-E 90 mm f/2.8.

Altijd handmatig scherpstellen
Een systeem waarbij de fotograaf de handmatige scherpstelring van de lens kan draaien en zo de automatische scherpstelling kan negeren terwijl de AF/MF-schakelaar op automatisch scherpstellen staat. Meer dan de helft van de EF-lenzen van Canon met ultrasonische motor hebben deze voorziening.

Apochromaat, apochromatische lens
Een lens die chromatische aberraties corrigeert voor drie golflengten van het licht, waarbij met name in het secundaire spectrum de aberratie grotendeels wordt gecorrigeerd. EF super-telelenzen zijn voorbeelden van apochromatische lenzen.

Asferische lens
Fotografische lenzen bestaan meestal uit verschillende lenselementen, die alle zijn voorzien van sferische oppervlakken (tenzij anders aangegeven). Omdat alle oppervlakken sferisch zijn, is het met name moeilijk om de sferische aberratie van lenzen met grote lensopeningen en de vervormingen van super-groothoeklenzen te corrigeren. Een asferische lens is een speciaal lenselement waarvan het oppervlak een kromming heeft waarmee deze aberraties en vervormingen optimaal kunnen worden gecorrigeerd. Het is een lens met een speciale kromming die niet sferisch is.

De theorie en het nut van asferische lenzen zijn al bekend vanaf de begintijd van het lensmaken, maar door de grote problemen bij de eigenlijke verwerking en het nauwkeurig meten van asferische oppervlakken bestaan er pas sinds kort praktische fabricagemethoden waarmee asferische lenzen kunnen worden gemaakt. De eerste fotografische SLR-lens waarin een asferische lens werd verwerkt, was de FD 55 mm f/1.2AL van Canon, die werd geïntroduceerd in maart 1971. (Leica had al vele jaren daarvoor de 50 mm f/1.2 Noctilux-lens met asferische oppervlakken uitgebracht voor zijn rangefinder-camera's.)

Dankzij de daarop volgende revolutionaire ontwikkelingen in de productietechnologie, maakt de EF-lenzengroep nu optimaal gebruik van verschillende soorten asferische lenzen, zoals asferische lenselementen van geslepen en gepolijst glas, ultranauwkeurige asferische GMo-lenselementen (Glass Molded, met glasgietvorm), asferische samengestelde lenselementen en gerepliceerde asferische lenselementen.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

B
Beeldafstand
De afstand van het achterste hoofdpunt van de lens tot het filmvlak wanneer de lens is scherpgesteld op een object op een bepaalde afstand.

Beeldcirkel
De diameter van de scherpe beeldcirkel die wordt gevormd door een lens. Uitwisselbare lenzen voor 35-mm camera's moeten een beeldcirkel hebben die ten minste even groot is als de diagonaal van het 24 x 36-mm beelddeel. EF-lenzen hebben meestal een beeldcirkel van ongeveer 43,2 mm. TS-E-lenzen worden echter ontworpen met een grotere beeldcirkel van 58,6 mm om de helling van de lens en verschuivingen op te vangen.

Beeldhoek
Het gebied van een scène, uitgedrukt als een hoek, dat door de lens scherp kan worden weergegeven. De nominale diagonale beeldhoek is gedefinieerd als de hoek die wordt gevormd door denkbeeldige lijnen die het tweede hoofdpunt van de lens verbinden met de twee uiteinden van de diagonaal van het beeld (43,2 mm). Naast de diagonale beeldhoek worden bij de lensgegevens voor EF-lenzen doorgaans de horizontale (36 mm) en de verticale (24 mm) beeldhoek vermeld.

Beeldstabilisator
Een geweldige nieuwe technologie waarmee de lens beweging kan detecteren zoals schudden of trillingen en onmiddellijk een optische correctie kan toepassen door een groep lenselementen te verplaatsen. De verbetering in stabiliteit is zelfs zichtbaar in de zoeker en de meeste gebruikers merken dat ze kunnen fotograferen met de camera in de hand of op een eenpotig statief met sluitertijden van bijna twee stops trager dan eerder, terwijl ze toch altijd scherpe foto's krijgen.

Beeldvergroting
De verhouding (lengteverhouding) tussen de ware grootte van een object en de grootte van het beeld dat wordt gereproduceerd op film. Een macrolens met een vergrotingsaanduiding van 1:1 kan een beeld reproduceren met dezelfde grootte als het oorspronkelijke object (ware grootte. De vergroting wordt meestal uitgedrukt als proportionele waarde die de grootte van het beeld aangeeft in vergelijking tot het werkelijke object. (Een vergroting van 1:4 wordt bijvoorbeeld uitgedrukt als 0,25x.)

Brandpunt, focus
Wanneer lichtstralen parallel aan de optische as op een bolle lens vallen, convergeert een ideale lens alle lichtstralen tot één punt vanwaaruit de stralen weer uitwaaieren in een kegelvorm. Dit punt waarin alle stralen samenvallen, wordt het brandpunt genoemd. Een bekend voorbeeld hiervan is het gebruik van een vergrootglas om de stralen van de zon te richten op een kleine cirkel op een stuk papier of een ander oppervlak. Het punt waar de cirkel het kleinst is, is het brandpunt. In optische termen wordt het brandpunt nader geclassificeerd als het achterste of beeldbrandpunt als het het punt betreft waar lichtstralen van het object samenvallen aan de filmvlakzijde van de lens. Het voorste of objectbrandpunt is het punt waar lichtstralen die vanaf de filmvlakzijde parallel aan de optische as op de lens vallen, samenvallen aan de objectzijde van de lens.

Brandpuntsafstand
Wanneer parallelle lichtstralen parallel aan de optische as op de lens vallen, wordt de afstand langs de optische as van het tweede hoofdpunt (het achterste hoofdpunt) tot het brandpunt de brandpuntsafstand genoemd. Eenvoudig gezegd is de brandpuntsafstand van een lens de afstand langs de optische as van het tweede hoofdpunt van de lens tot het filmvlak wanneer de lens is scherpgesteld op oneindig.

Brekingsindex
Een numerieke waarde die de mate van breking van een medium aanduidt. Deze waarde wordt uitgedrukt met de formule n=sin i/sin, waarbij r een constante is die niet gerelateerd is aan de invalshoek van de lichtstraal en die de brekingsindex aangeeft van het brekende medium in relatie tot het medium vanwaaruit het licht binnenvalt. Bij algemeen optisch glas staat "n" meestal voor de brekingsindex van het glas in relatie tot lucht.

Buitengewone gedeeltelijke dispersie
Het menselijk oog kan monochromatische lichtgolflengtes registreren tussen 400 nm (paars) en 700 nm (rood). Binnen dit bereik wordt het verschil in brekingsindex tussen twee verschillende golflengtes gedeeltelijke dispersie genoemd. De meeste gebruikelijke optische materialen hebben vergelijkbare eigenschappen met betrekking tot gedeeltelijke dispersie. Bepaalde glasmaterialen hebben echter andere eigenschappen met betrekking tot gedeeltelijke dispersie. Enkele voorbeelden hiervan zijn glas met een grotere gedeeltelijke dispersie bij kortere golflengtes, FK-glas met een kleine brekingsindex en lage dispersie-eigenschappen, fluoriet en glas met grotere gedeeltelijke dispersie bij langere golflengtes. Deze soorten glas worden geclassificeerd in een groep met buitengewone eigenschappen met betrekking tot gedeeltelijke dispersie. Glas met deze eigenschappen wordt gebruikt in apochromatische lenzen ter compensatie van chromatische aberratie.

Bijziendheid
Een afwijking van het oog waarbij het beeld van een oneindig ver punt wordt gevormd voor het netvlies wanneer het oog zich in de neutrale stand bevindt.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

C
Chromatische aberratie
Wanneer wit licht (licht dat uit vele kleuren bestaat die zo gelijkmatig zijn gemengd dat het oog geen kleuren waarneemt, maar slechts wit licht ziet) zoals zonlicht door een prisma valt, wordt een regenboogspectrum zichtbaar. Dit fenomeen vindt plaats omdat de brekingsindex van het prisma (en de dispersiegraad) varieert met de golflengte (korte golflengten worden sterker gebroken dan lange golflengten). Dit fenomeen treedt in mindere mate ook in fotografische lenzen op en wordt chromatische aberratie genoemd omdat het optreedt bij verschillende golflengten

Er zijn twee soorten chromatische aberratie: "axiale chromatische aberratie", waarbij de positie van het brandpunt op de optische as varieert met de golflengte, en "chromatische vergrotingsverschillen", waarbij de vergroting van het beeld varieert met de golflengte. In foto's wordt axiale chromatische aberratie weergegeven als vage kleuren of schitteringen en worden chromatische vergrotingsverschillen weergegeven als verkleurde randen (randen waarlangs kleuren worden weergegeven). De chromatische aberratie in een fotografische lens wordt gecorrigeerd door verschillende soorten optisch glas met verschillende brekings- en dispersiekenmerken te combineren. Aangezien het effect van chromatische aberratie groter wordt naarmate de brandpuntafstand toeneemt, is een nauwkeurige correctie van chromatische aberraties met name van belang voor het behoud van de beeldscherpte bij super-telelenzen.

Hoewel er beperkingen gelden voor de mate waarin aberraties met optisch glas kunnen worden gecorrigeerd, kunnen aanmerkelijk betere prestaties worden bereikt met synthetische kristallen, zoals fluoriet of UD-glas. Axiale chromatische aberratie wordt ook wel "longitudinale chromatische aberratie" genoemd (aangezien deze optreedt in de lengterichting van de optische as) en chromatische vergrotingsverschillen worden ook wel "laterale chromatische aberratie" genoemd (aangezien deze buiten de optische as optreedt)

Opmerking: hoewel chromatische aberratie het meeste opvalt bij kleurenfilm, treedt deze ook op bij zwart-witfilm en levert dan minder scherpe foto's op.

Circulair polarisatiefilter
Een circulair polarisatiefilter is functioneel hetzelfde als een lineair polarisatiefilter omdat het alleen licht doorlaat dat in bepaalde richtingen trilt. Het licht dat door een circulair polarisatiefilter valt verschilt van het licht dat door een lineair polarisatiefilter valt doordat de locatie van de vibratie zich in een spiraalvormig patroon verplaatst terwijl het licht zich voorplant. Dit heeft tot gevolg dat het filter de werking van halfspiegels niet negatief beïnvloedt, zodat de functies TTL-AE en AF normaal werken. Gebruik voor een EOS-camera altijd een circulair polarisatiefilter. Een circulair polarisatiefilter is even effectief als een lineair polarisatiefilter voor het wegfilteren van gereflecteerd licht.

Cirkelvormige opening
Bepaalde Canon-lenzen beschikken over een nieuwe diafragmaeenheid met cirkelvormige opening. Deze eenheid beschikt over gekromde openingsbladen die een rondere opening opleveren als het diafragma wordt geopend. Dit is met name effectief bij het weergeven van onscherpe hooglichten op de achtergrond als natuurlijke, afgeronde vormen. Bij lenzen zoals de lens EF 70-200 mm f/2.8L IS, is de lensopening nagenoeg cirkelvormig van f/2.8 tot en met f/5.6. Deze lenzen behouden alle bekende voordelen van het elektromagnetische diafragma van Canon, zoals de vloeiende en gelijkmatige openingsactie (tot maar liefst 10 beelden per seconde bij de nieuwe EOS-1v), de vrijwel geruisloze openingsbesturing en het volledig ontbreken van mechanische hendels of schakelaars in de lensvatting.

Coating
Wanneer licht een lens binnenvalt en weer uittreedt, wordt ongeveer 5% van het licht gereflecteerd bij elke overgang van lens naar lucht door het verschil in brekingsindex. Dit beperkt niet alleen de hoeveelheid licht die door de lens valt, maar kan ook leiden tot reflecties die ongewenste schitteringen of geestbeelden kunnen opleveren. Om deze lichtreflecties te voorkomen, worden lenzen voorzien van een speciale coating. In principe wordt deze coating aangebracht met behulp van vacuümopdamping, waarbij de lens wordt voorzien van een dun laagje met een dikte die een kwart bedraagt van de golflengte van het licht dat moet worden beïnvloed. Het laagje wordt gemaakt van een stof (zoals magnesiumfluoride) met brekingsindex n, waarbij n de brekingsindex van het lensglas is. In plaats van één coating die slechts één golflengte beïnvloedt, beschikken EF-lenzen over een superieure meerlagige coating (meerdere lagen die met vacuümopdamping zijn opgebracht waardoor de reflectiegraad wordt verminderd tot 0,2 - 0,3%) die de lichtreflecties van alle golflengten in het zichtbare spectrum effectief tegengaan. Het coaten van lenzen vindt echter niet alleen plaats ter voorkoming van lichtreflecties. Coatings spelen een belangrijke rol omdat deze stoffen de verschillende lenselementen en het lenzensysteem van uiteenlopende eigenschappen voorzien, zoals optimale kleurbalanskenmerken.

Coma, coma-aberratie
Coma of coma-aberratie is een fenomeen dat zichtbaar is in de periferie van een beeld dat wordt geproduceerd door een lens die is gecorrigeerd voor sferische aberratie. Bij dit fenomeen komen lichtstralen die onder een hoek aan de rand van de lens binnenvallen, samen in de vorm van een komeet in plaats van op het gewenste punt. Vandaar de naam. De komeetvorm is radiaal gericht, waarbij de staart van de komeet naar het centrum of naar de rand van de lens is gericht. De resulterende vaagheid aan de randen van het beeld wordt comatische schittering genoemd.

Coma-aberratie, die zelfs kan optreden in lenzen die een punt op de juiste wijze als een punt op de optische as weergeven, wordt veroorzaakt door een verschil in breking tussen lichtstralen van een punt buiten de as die door de rand van de lens vallen, en de hoofdlichtstraal uit hetzelfde punt die door het centrum van de lens valt. Coma-aberratie neemt toe naarmate de hoek van de hoofdlichtstraal groter wordt en leidt tot een vermindering van het contrast aan de randen van het beeld. U kunt dit verbeteren door voor de lens een kleiner diafragma te kiezen. Coma-aberratie kan tevens leiden tot schitteringen in de vage gebieden van een beeld, hetgeen een onplezierig effect oplevert. De eliminatie van sferische aberratie en coma-aberratie voor een voorwerp op een bepaalde afstand wordt aplanatisme genoemd. Een lens die voor deze effecten is gecorrigeerd, wordt een aplanaat genoemd.

Contrast
De mate van onderscheid tussen de gebieden met verschillende helderheidsniveaus in een foto, bijvoorbeeld het verschil in helderheid tussen lichte en donkere gedeelten. Als de reproductieverhouding tussen wit en zwart duidelijk is, is het contrast hoog, als het verschil tussen wit en zwart onduidelijk is, is het contrast laag. Over het algemeen geven lenzen van goede kwaliteit afbeeldingen van goede kwaliteit met hoge resolutie en hoog contrast.

Cos4-wet
Deze wet zegt dat het verlies aan licht aan de rand van een afbeelding toeneemt naarmate de beeldhoek groter wordt, zelfs als de lens een gelijkmatig scherp beeld geeft. De rand van de afbeelding wordt gevormd door groepen lichtstralen die onder een bepaalde hoek in verhouding tot de optische as op de lens vallen. De mate van lichtverlies is proportioneel aan de cosinus van die hoek tot de vierde macht. Aangezien dit een natuurkundige wetmatigheid is, is dit onvermijdelijk. Bij groothoeklenzen met een grote beeldhoek is het mogelijk om lichtverlies aan de rand te vermijden door de efficiëntie van de lensopening te vergroten (dit is de verhouding tussen het gedeelte van het licht dat langs de as op de lens valt en het gedeelte dat niet langs de as op de lens valt).

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

D
Dieptescherpte
Het gebied voor en achter het brandpuntsvlak waarin het object kan worden gefotografeerd als scherpe afbeelding. De dieptescherpte is gelijk aan beide kanten van het beeldvlak (filmvlak) en kan worden bepaald door de minimale verstrooiingscirkel te vermenigvuldigen met het getal F, ongeacht de brandpuntsafstand van de lens. Met moderne automatisch scherpstellende SLR-camera's wordt scherpgesteld door de status van de focus in het beeldvlak (filmvlak) te bepalen met een sensor die optisch equivalent (1:1 vergroting) is en zich buiten het filmvlak bevindt, en door de lens automatisch in te stellen om het object binnen het dieptescherptegebied te brengen.

Diffractieve optische elementen
Diffractieve optische elementen, een revolutionaire nieuwe optische technologie voor lenzen waarmee super-telefotolenzen kunnen worden ontwikkeld die aanmerkelijk korter en lichter zijn dan eerder mogelijk was. Betere optische prestaties worden behaald doordat chromatische aberraties en zelfs sferische aberraties worden verminderd.

Dioptrie
De mate waarin lichtstraalbundels die de zoeker verlaten samenkomen of uiteenlopen. De standaarddioptrie van alle EOS-camera's is ingesteld op 1 dpt. Deze instelling is ontworpen zodat het lijkt of de afbeelding van de zoeker op een afstand van 1 meter wordt gezien. Als iemand de afbeelding van de zoeker niet duidelijk kan zien, moet een dioptrische aanpassingslens op het oculair worden bevestigd met een sterkte die, opgeteld bij de standaarddioptrie van de zoeker, het mogelijk maakt om een object op 1 meter afstand te zien. De numerieke waarden op de dioptrische EOS-aanpassingslenzen geven de totale dioptrie aan die wordt verkregen als de aanpassingslens op de camera is bevestigd.

Dispersie
Een fenomeen waarbij de optische eigenschappen van een medium variëren met de golflengte van het licht dat op het medium valt. Wanneer licht op een lens of prisma valt, zorgen de dispersiekenmerken van de lens of het prisma ervoor dat de brekingsindex varieert afhankelijk van de golflengte waardoor het licht dispergeert. Dit wordt ook wel kleurschifting genoemd.

Draaiende verlenging van de voorste groep
Het cilindergedeelte van de lens met de voorste lensgroep draait zodat de voorste groep naar achteren en naar voren beweegt tijdens het scherpstellen. Dit type scherpstellen wordt alleen gebruikt bij zoomlenzen. Het wordt niet gebruikt bij lenzen met één brandpuntsafstand. Kenmerkende voorbeelden van lenzen die gebruikmaken van deze methode zijn de EF 35-80 mm f/4-5.6 USM en de EF 100-300 mm f/5.6L. Aangezien de bevestigingsring van het filter en de lenskap met de lens meedraaien tijdens het scherpstellen, is het belangrijk dat het uiteinde van de lens geen contact maakt met het glas als u een foto maakt door een glazen ruit.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

E
EMD (Elektromagnetisch diafragma)
Elke EF-lens is ontworpen voor gebruik met de digitale gegevensoverdracht van het EOS-systeem die mogelijk wordt gemaakt door de volledig elektronische bevestiging en bevat een EMD dat de diameter van de opening elektronisch regelt. Het EMD is een besturingsactuator voor het diafragma die bestaat uit een stappenmotor en een diafragmabladeenheid. Enkele kenmerken zijn: Aangezien het systeem digitaal wordt geregeld, is de nauwkeurigheid veel groter dan die van mechanische bevestigingssystemen. De kleine rotorbladen geven uitmuntende start-/stopreacties en -regeling. Het systeem is uiterst stil omdat er geen mechanische hendels zijn die schokken veroorzaken bij het bevestigen. Het volledig elektronische bevestigingssysteem maakt het mogelijk om de opening te sluiten en de instelling en de scherptediepte te bevestigen met een druk op een knop. Het EMD-mechanisme is zeer duurzaam en betrouwbaar. De onderdelen die zorgen voor de regeling van het diafragma zijn geïntegreerd in een compacte eenheid. Bovendien geeft het elektronische regelsysteem veel vrijheid bij het ontwerp van de eenheid.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

F
Flensafstand
De afstand van het referentievlak van de lensbevestiging van de camera naar het brandpuntsvlak (filmvlak). In het EOS-systeem is de flensafstand van alle camera's ingesteld op 44,00 mm. De flensafstand wordt ook wel de afstand tussen flens en brandpunt genoemd.

Fluoriet
Fluoriet heeft een extreem lage refractie- en dispersie-index in vergelijking met optisch glas en beschikt over speciale eigenschappen voor gedeeltelijke dispersie (buitengewone gedeeltelijke dispersie), waardoor een zo goed als ideale correctie mogelijk is van chromatische aberraties in combinatie met optisch glas. Dit is al lang bekend en in 1880 werd natuurlijk fluoriet al gebruikt voor apochromatische objectieve lenzen van microscopen. Aangezien natuurlijk fluoriet alleen voorkomt in kleine stukjes, kan het niet worden gebruikt voor fotolenzen. Dit probleem werd opgelost toen Canon er in 1968 in slaagde een productietechnologie te ontwikkelen voor de fabricage van grote kunstmatige kristallen. Dit maakte het mogelijk om fluoriet te gebruiken voor fotolenzen.

Fraunhoferlijnen
Absorptielijnen die in 1814 zijn ontdekt door de Duitse natuurkundige Fraunhofer (1787-1826). Deze lijnen omvatten het absorptiespectrum in het continue spectrum van zonlicht dat wordt veroorzaakt door het effect van gassen in de atmosfeer van de zon en de aarde. Aangezien elke lijn zich op een vaste golflengte bevindt, worden de lijnen gebruikt als referentiepunt voor de kleurkenmerken (golflengte) van optisch glas. De refractie-index van optisch glas wordt gemeten op basis van negen golflengtes die zijn geselecteerd uit Fraunhoferlijnen. Bij het ontwerpen van lenzen worden berekeningen voor de correctie van chromatische aberraties ook gebaseerd op deze golflengtes.

Fresnel-lens
Een type convergerende lens die wordt gemaakt door het bolle oppervlak van een platte bolle lens nauwkeurig te verdelen in een grote hoeveelheid concentrische cirkelvormige ringlenzen en deze te combineren. Hierdoor wordt de lens veel minder dik terwijl de functie van een bolle lens behouden blijft. In een spiegelreflex wordt de zijde tegenover het matte oppervlak van het scherpstelscherm gevormd als fresnel-lens met een pitch van 0,05 mm. Hierdoor wordt diffuus omgevingslicht naar het oculair geleid. Fresnel-lenzen worden ook vaak gebruikt in flitsers, wat wordt aangegeven door de concentrische cirkelvormige lijnen die zichtbaar zijn op het witte diffusiescherm dat de flits afdekt. De projectielens die wordt gebruikt om het licht van een vuurtoren te projecteren is ook een voorbeeld van een enorme fresnel-lens.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

G
Gepolariseerd licht
Aangezien licht een soort elektromagnetische golf is, kan het worden gezien als uniform trillend in alle richtingen in een vlak dat loodrecht staat op de voortplantingsrichting. Dit soort licht wordt natuurlijk licht of natuurlijk gepolariseerd licht genoemd. Als de trillingsrichting van natuurlijk licht om de een of andere reden gepolariseerd wordt, wordt het licht gepolariseerd licht genoemd. Wanneer natuurlijk licht bijvoorbeeld wordt gereflecteerd door het oppervlak van een glas water, trilt het gereflecteerde licht in slechts één richting en is het volledig gepolariseerd. Zo wordt op een zonnige dag het licht van het gedeelte van de lucht dat zich onder een hoek van 90º van de zon bevindt, gepolariseerd als gevolg van het effect van luchtmoleculen en deeltjes in de atmosfeer. De halfspiegels die worden gebruikt in automatisch scherpstellende spiegelreflexcamera's kunnen ook lichtpolarisatie veroorzaken.

Gezichtsvermogen
De mogelijkheid van het oog om details van de vorm van een object te onderscheiden. Gezichtsvermogen wordt uitgedrukt als een numerieke waarde die het omgekeerde aangeeft van de minimale gezichtshoek waaronder het oog twee punten of lijnen nog duidelijk kan onderscheiden, dat wil zeggen de resolutie van het oog in vergelijking met een resolutie van 1'. (Verhouding met een resolutie van 1' wordt gezien als 1.)

Grondige eliminatie van het secundaire spectrum
Wanneer u een convexe fluoriet lens combineert met een glazen concave optische lens met brede dispersie om de golflengten van rood en blauw licht te corrigeren, bieden de kenmerken voor de gedeeltelijke dispersie door fluoriet ook een effectieve compensatie voor de golflengten van groen licht. Hierdoor wordt de aanwezigheid van een secundair spectrum aanzienlijk verminderd en komen de drie soorten golflengten (rood, groen en blauw) samen in hetzelfde brandpunt. Op deze wijze wordt een vrijwel ideale compensatie van de chromatische aberratie gerealiseerd(apochromatische prestatie).

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

H
Hoofdpunt (knooppunt)
De brandpuntsafstand van een dunne, dubbel bolle lens die bestaat uit één element, is de afstand langs de optische as van het middelpunt van de lens tot het brandpunt. Dit middelpunt van de lens wordt het hoofdpunt genoemd. Aangezien fotolenzen bestaan uit combinaties van verschillende bolle en holle lenselementen, is het niet duidelijk waar het middelpunt van de lens ligt. Het hoofdpunt van een lens die uit meerdere elementen bestaat, wordt daarom gedefinieerd als het punt op de optische as op een afstand die gelijk is aan de brandpuntsafstand teruggemeten naar de lens vanuit het brandpunt. Het hoofdpunt dat wordt gemeten vanuit het voorste brandpunt wordt het voorste hoofdpunt genoemd. Het hoofdpunt dat wordt gemeten vanuit het achterste brandpunt wordt het achterste hoofdpunt genoemd. De afstand tussen deze twee hoofdpunten wordt de hoofdpuntinterval genoemd.

Hoofdstraal
Een lichtstraal die de lens onder een hoek binnengaat op een ander punt dan het punt van de optische as en die door het middelpunt van de diafragmaopening gaat. Hoofdstralen zijn de fundamentele lichtstralen die worden gebruikt voor de belichting van beelden bij alle diafragmaopeningen van de maximale tot de minimale opening.

Hyperbrandpuntsafstand
Met het principe van scherptediepte bereikt u tijdens het scherpstellen op steeds verder gelegen objecten een punt waarop de verste grens van de scherptediepte gelijk is aan oneindig ver. Het opnamebereik op dit punt, dat wil zeggen het dichtstbijzijnde opnamebereik waarop oneindig ver binnen de scherptediepte valt, wordt de hyperbrandpuntsafstand genoemd. De hyperbrandpuntsafstand kan als volgt worden berekend:

Hyperbrandpuntsafstand = f² / (d · F)

f: brandpuntsafstand
F: F getal
d: minimale diameter van de verstrooiingscirkel


Als u de lens instelt op de hyperbrandpuntsafstand, reikt de scherptediepte van een afstand die gelijk is aan de helft van de hyperbrandpuntsafstand tot oneindig ver. Deze methode is handig voor het instellen van een grote scherptediepte en het maken van momentopnamen zonder aanpassing van de scherpstelling van de lens, vooral bij gebruik van een groothoeklens. (Als de EF 24 mm wordt ingesteld op f/11 en het opnamebereik wordt ingesteld op de hyperbrandpuntsafstand van ongeveer 1,5 m, zijn alle objecten binnen een bereik van ongeveer 70 cm van de camera tot oneindig ver scherp.)

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

I
Ingestelde scherpstelling
Een voorziening van de Image Stabilized supertelefoto EF-lenzen. De fotograaf kan scherpstellen op een object en deze scherpstelling onthouden. Hierdoor kan de scherpstelling later snel worden opgehaald met een korte draai aan de metalen ring op de cilinder van de lens.

Inwendig scherpstellen
Scherpstellen gebeurt door één of meer lensgroepen te bewegen die zich tussen de voorste lensgroep en het diafragma bevinden.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

L
Licht
Het woordenboek geeft de volgende definities van licht: 1. Iets wat objecten zichtbaar maakt of wat verlichting mogelijk maakt; een verlichtingsmiddel of lichtbron, zoals de zon, een lamp of een baken. 2. Elektromagnetische straling met een golflengte van 4000 tot 7700 Angström die zich voortplant met een snelheid van ongeveer 300.000 km per seconde waarop de lichtzintuigen reageren, alsook een vergelijkbare vorm van stralingsenergie die niet door het netvlies wordt waargenomen, zoals ultraviolet- en infraroodstralen. 3. Een glinstering of fonkeling, zoals in de ogen. 4. Een bepaald licht of bepaalde verlichting waarin een waargenomen object een bepaalde vorm aanneemt. 5. Een persoon die een lichtend voorbeeld is. Een uitblinker. 6. Mentale of spirituele verlichting. 7. Het aspect waarin een object wordt weergegeven of beschouwd. De meest onmisbare definitie voor de omschrijving van licht, zoals dat zijn toepassing vindt in de fotografie, is definitie 2. De soorten elektromagnetische straling verschillen met de golflengte.

Beginnend bij de kortste golflengten kan elektromagnetische straling worden ingedeeld in speciale stralingsvormen, röntgenstralen, ultraviolette lichtstralen, zichtbare lichtstralen, infrarode lichtstralen, lichtstralen in het verre infrarood, microgolven, ultrakorte-golfstraling (VHF), korte-golfstraling, middengolfstraling (MF) en lange-golfstraling. In fotografie bevinden de meestgebruikte golflengten zich in zichtbare gedeelte van het spectrum (400 nm tot 700 nm). Aangezien licht een soort elektromagnetische straling is, kan het worden beschouwd als een golfsoort uit de categorie lichtgolven. Een lichtgolf kan worden beschouwd als een elektromagnetische golf die bestaat uit een elektrisch veld en een magnetisch veld waarvan de trillingsrichtingen loodrecht op elkaar staan in een vlak dat haaks staat op de voortplantingsrichting. De twee elementen van een lichtgolf die daadwerkelijk met het menselijk oog kunnen worden waargenomen, zijn de golflengte en de amplitude. Verschillen in golflengte worden waargenomen als kleurverschillen (binnen het zichtbare spectrum), terwijl verschillen in amplitude worden waargenomen als verschillen in helderheid (lichtintensiteit). Het derde element, dat niet met het menselijk oog kan worden waargenomen, is de trillingsrichting binnen het vlak dat loodrecht op de voorplantingsrichting van de lichtgolven staat.

Lichtvlek
Licht dat wordt gereflecteerd via het oppervlak van de lenzen, de binnenkant van de cilinder van de lens of de binnenkant van de behuizing van de spiegel van de camera kan op de film vallen en een gedeelte of zelfs de hele afbeelding vervagen, waardoor de afbeelding minder scherp wordt. Deze nadelige reflecties worden lichtvlekken genoemd. Hoewel lichtvlekken grotendeels kunnen worden verminderd door het oppervlak van de lenzen te voorzien van een coating en door anti-reflectiemaatregelen in de cilinder van de lens en de camera, kunnen lichtvlekken niet helemaal worden vermeden in alle omstandigheden. Het is daarom wenselijk een geschikte lenskap te gebruiken als dat enigszins mogelijk is. De term "lichtvlek" wordt ook gebruikt om te verwijzen naar de effecten van vervaging en lichtkransen die worden veroorzaakt door sferische en comatische aberratie.

Lineair polariseringsfilter
Een filter dat alleen licht doorlaat dat in een bepaalde richting trilt. Aangezien de trillingskromme van het licht dat door het filter wordt doorgelaten, lineair van aard is, wordt het filter een lineair polariseringsfilter genoemd. Dit soort filter elimineert reflecties van glas en water op dezelfde manier als een cirkelvormig polariseringsfilter, maar kan niet worden gebruikt in combinatie met de meeste camera's met automatische belichting en automatische scherpstelling omdat het belichtingsfouten veroorzaakt bij AE-camera's die zijn voorzien van TTL-metingsystemen die gebruikmaken van halfspiegels. Het veroorzaakt scherpstelfouten bij AF-camera's met AF-bereikdetectiesystemen die gebruikmaken van halfspiegels.

Lineaire verlenging van de voorste groep

De achterste groep blijft vast en alleen de voorste groep beweegt recht naar achteren of naar voren tijdens het scherpstellen. Voorbeelden van lenzen met lineaire verlenging van de voorste groep zijn de EF 50 mm f/2.5 Compact Macro en de EF 85 mm f/1.2L USM.

Luchtlens
De luchtruimten tussen de glazen lenselementen waaruit een fotografische lens bestaat, kunnen worden beschouwd als glazen lenzen die dezelfde brekingsindex hebben als lucht (1,0). Een luchtruimte die is ontworpen vanuit deze achterliggende gedachte, wordt een luchtlens genoemd. Aangezien de breking van een luchtlens tegengesteld is aan die van een glazen lens, fungeert een convexe vorm als een concave lens en een concave vorm als een convexe lens. Dit principe werd het eerst geopperd in 1898 door Emil von Hoegh, die voor het Duitse bedrijf Goerz werkte.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

M
Macrolenzen
Macrolenzen zijn essentieel voor het maken van close-ups van bloemen, insecten en andere kleine objecten op ware grootte of met een grotere vergroting. Hoogwaardige optische kenmerken, scherpe definitie en natuurgetrouwe kleuren geven het object een levensecht voorkomen.

Mate van verlenging
Bij een lens waarbij het hele optische systeem naar voren en achteren beweegt bij het scherpstellen is dit de mate van beweging die nodig is om scherp te stellen op een object dat op een beperkte afstand van de oneindige scherpstelling is verwijderd.

Mechanische afstand
De afstand van de voorste rand van de lenscilinder tot het filmvlak.

Micro-USM
De micro-USM is een geavanceerde motor die is ontwikkeld als "ultrasone miniatuurmotor voor meerdere doeleinden" met de volgende kenmerken.

MTF-diagrammen aflezen
MTF-diagrammen (Modulation Transfer Function) bevatten een grafiek waarin het vermogen van een lens wordt geanalyseerd om scherpe details te vertalen in hele dunne sets parallelle lijnen. Ook het contrast van de lens of de mogelijkheid om een scherpe overdracht te geven tussen lichte en donkere gedeelten in sets dikkere parallelle lijnen wordt weergegeven in het diagram. Dunne herhalende sets lijnen worden parallel gemaakt aan een diagonale lijn die loopt van de ene hoek naar de andere hoek van een 35-mm beeld, rechtstreeks door het exacte middelpunt van het beelddeel. Dit worden sagittale lijnen genoemd, die soms worden aangeduid met S in MTF-diagrammen van Canon. Loodrecht op deze lijnen worden extra sets herhalende lijnen getekend. Deze worden meridiaanlijnsets of M genoemd

Met herhalende, extreem dunne, korte, parallelle lijnen met een dichtheid van 30 lijnen per millimeter wordt de mogelijkheid van de lens gemeten om fijne details vast te leggen. Dit wordt ook wel de resolutie genoemd. Vanuit het standpunt van veel optische ontwerpers zijn de contrastmogelijkheden van de lens zelfs nog belangrijker. Deze worden gemeten met dikkere sets herhalende, parallelle lijnen met een dichtheid van 10 lijnen per millimeter. Op het eerste gezicht lijkt het alsof elke goede lens lijnen die parallel lopen met een diagonaal die over de film wordt getekend, vastlegt met dezelfde nauwkeurigheid als lijnen die hier haaks op worden getekend. Bij praktische tests blijkt echter dat dit vaak niet het geval is. Vooral in de meridiaanrichting wordt waarheidsgetrouwe reproductie van dunne lijnen steeds moeilijker naarmate de afstand tot het middelpunt van het beeld in de richting van de hoeken groter wordt. Het is een feit dat bijna alle lenzen over het algemeen scherpere resultaten geven in de buurt van het middelpunt van het beeld dan aan de randen

MTF-diagrammen laten de prestaties van de lens van het middelpunt tot de hoeken zien. Langs de horizontale as van het diagram, met labels van 0 tot meer dan 20, vindt u de afstand van het exacte middelpunt (0) van een 35-mm beeld langs een diagonale lijn tot de hoek van het beeld, die ongeveer 21,5 mm weg ligt. Langs de verticale as van het diagram ziet u een schaal die staat voor de mate van nauwkeurigheid waarmee fijne en grovere lijnsets worden gereproduceerd, in zowel de sagittale (parallel aan de diagonaal van de film) als meridiaanrichting. Ononderbroken lijnen in MTF-diagrammen geven de prestaties bij sagittale lijnen aan, die parallel lopen aan de diagonaal van de film. Onderbroken lijnen worden gebruikt voor de testresultaten bij de haakse meridiaanlijnen. In theorie moet een perfecte lens alleen rechte horizontale lijnen geven helemaal boven in een MTF-diagram. Dit betekent dat de reproductie 100% nauwkeurig is, van het middelpunt van het beeld (links in het diagram) tot de verste hoeken (rechts in het diagram). Er is natuurlijk geen enkele SLR-fabrikant die perfecte lenzen maakt. MTF-diagrammen bevatten meestal lijnen met een kromming naar beneden van links naar rechts waarmee de prestaties van de lens van het middelpunt tot de hoeken van het beeld worden weergegeven. MTF-diagrammen van Canon geven resultaten bij twee openingen: helemaal open en gesloten tot f/8, waarbij de lens is scherpgesteld op oneindig ver

Hoewel in MTF-diagrammen vele factoren buiten beschouwing worden gelaten die van belang kunnen zijn bij de keuze voor een bepaalde lens (zoals de grootte, kosten, gebruiksgemak, kortste scherpstelafstand, AF-snelheid, lineaire vervorming, gelijkmatigheid van de belichting en natuurlijk voorzieningen als beeldstabilisatie die geweldige, waarheidsgetrouwe resultaten kunnen leveren), kunnen deze diagrammen ervaren gebruikers een idee geven van de optische eigenschappen die ze van een bepaalde lens mogen verwachten.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

N
Normaal gezichtsvermogen, emmetropie
Een gesteldheid van het oog waarbij het beeld van een oneindig ver punt wordt gevormd op het netvlies wanneer het oog zich in de neutrale stand bevindt.

Numerieke opening (NA)
Een waarde die wordt gebruikt om de helderheid of resolutie van het optische systeem van een lens uit te drukken. De numerieke opening, meestal aangeduid met NA, is een numerieke waarde die wordt berekend met de formule nsinØ, waarbij 2Ø de hoek (openingshoek) is waaronder een objectpunt op de optische as valt op de entreepupil en n de reflectie-index van het medium is waarin het object bestaat. Hoewel deze waarde niet vaak wordt gebruikt bij fotolenzen, wordt de NA-waarde vaak vermeld op de objectieve lenzen van microscopen, waar de waarde meer wordt gebruikt als indicatie van de resolutie dan van de helderheid. Een handige wetenswaardigheid is dat de NA-waarde gelijk is aan de helft van het omgekeerde van het getal F. Zo is F 1,0 = NA 0,5, F 1,4 = NA 0,357, F2 = NA 0,25 enzovoort.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

O
Objectafstand
De afstand van het voorste hoofdpunt van de lens tot het object.

Opening / effectieve opening
De opening van een lens is gekoppeld aan de diameter van de bundel lichtstralen die door de lens valt en is bepalend voor de helderheid van het afgebeelde object in het brandvlak. De optische opening (ook wel effectieve opening genoemd) verschilt van de werkelijke opening van de lens omdat de effectieve opening afhankelijk is van de diameter van de lichtbundel die door de lens valt in plaats van van de werkelijke diameter van de lens.

Openingshoek
De hoek tussen het voorwerppunt op de optische as en de diameter van de intredepupil, of de hoek tussen het beeldpunt op de optische as en de diameter van de uittredepupil.

Openingsverhouding
Een waarde waarmee de helderheid van het beeld wordt uitgedrukt. Deze wordt berekend door de effectieve opening van de lens (D) te delen door de brandpuntsafstand (f). Aangezien het resultaat van de deling D/f bijna altijd een kleine decimale waarde is die kleiner is dan 1, waardoor het moeilijk is om deze waarde praktisch toe te passen, wordt de openingsverhouding meestal op de lensbuis weergegeven als de verhouding tussen de effectieve opening en de brandpuntsafstand, waarbij de brandpuntsafstand gelijkgesteld is aan 1. Voorbeeld: op de buis van de lens EF 85 mm f/1.2L wordt de verhouding 1:1.2 weergegeven. Dit betekent dat de brandpuntafstand gelijk is aan 1,2 maal de effectieve opening wanneer de effectieve opening gelijk is aan 1.) De helderheid van een afbeelding die door een lens wordt geproduceerd, neemt proportioneel toe of af met het kwadraat van de openingsverhouding. In het algemeen wordt de helderheid van een lens uitgedrukt als een F-waarde. Deze waarde is de inverse van de openingsverhouding (f/D).

Opnamebereik (camera-afstand)
De afstand van het filmvlak (het brandpuntsvlak) tot het object. De positie van het filmvlak wordt op de meeste camera's aangegeven met een speciaal symbool, zoals hieronder afgebeeld.

Optische as
Een rechte lijn die de middelpunten van de bolvormige oppervlakken aan elke kant van een lens verbindt. Anders gezegd is de optische as een hypothetische middellijn die het middelpunt van de kromming van elk lensoppervlak verbindt. Bij fotolenzen die bestaan uit verschillende lenselementen, is het van groot belang dat de optische as van elk lenselement precies is uitgelijnd met de optische as van alle andere lenselementen. Vooral bij zoomlenzen, die zijn opgebouwd uit verschillende groepen lenzen die op een complexe manier bewegen, is het absoluut noodzakelijk dat deze groepen uiterst nauwkeurig zijn opgebouwd, zodat de juiste uitlijning van de optische assen bewaard blijft.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

P
Parallelle stralenbundel
Een groep lichtstralen die zich parallel aan de optische as voortplanten vanuit een oneindig ver gelegen punt. Wanneer deze stralen door een lens vallen, komen ze samen in de vorm van een kegel en vormen een puntbeeld binnen het filmvlak.

Paraxiale straal
Een lichtstraal die vlak bij de optische as valt en helt onder een zeer kleine hoek in relatie tot de optische as. Het punt waar paraxiale stralen samenvallen, wordt het paraxiale brandpunt genoemd. Aangezien het beeld dat wordt gevormd door een monochromatische paraxiale straal in principe geen aberraties kent, is de paraxiale straal een belangrijke factor om de basiswerking van lenssystemen te begrijpen.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

R
Randbelichting
De helderheid van een lens wordt bepaald door het getal F, maar deze waarde geeft alleen de helderheid aan bij de positie van de optische as, dat wil zeggen in het middelpunt van het beeld. De helderheid (de oppervlaktebelichting van het beeld) aan de rand van het beeld wordt de randbelichting genoemd en wordt uitgedrukt als percentage (%) van de hoeveelheid belichting in het midden van het beeld. Randbelichting wordt beïnvloed door lensvignettering en de cos4-wet (cosinus 4) en is onvermijdelijk lager dan het in midden van het beeld.

Reflectie
Reflectie is een fenomeen waarbij een gedeelte van het licht dat op een glazen oppervlak of een ander medium valt, wordt gebroken en zich voortplant in een volkomen andere richting. De voortplantingsrichting is hetzelfde ongeacht de golflengte. Wanneer het licht een lens zonder anti-reflectiecoating invalt en verlaat, wordt ongeveer 5% van het licht gereflecteerd op de overgang van glas en lucht. De hoeveelheid licht bepaalt de voortplantingsrichting. De twee elementen van een lichtgolf die daadwerkelijk met het menselijk oog kunnen worden waargenomen zijn de golflengte en de amplitude. Verschillen in golflengte worden waargenomen als kleurverschillen (binnen het zichtbare spectrum), terwijl verschillen in amplitude worden waargenomen als verschillen in helderheid (intensiteit). Het derde element, dat niet met het menselijk oog kan worden waargenomen, is de trillingsrichting binnen het vlak dat loodrecht op de voortplantingsrichting van de lichtgolven staat.

Resolutie
Eenheid van scherpte. De resolutie van een lens geeft de reproductiecapaciteit aan van een objectpunt van de lens. De resolutie van de uiteindelijke foto hangt af van drie factoren: de resolutie van de lens, de resolutie van de film en de resolutie van het papier waarop wordt afgedrukt.

Resolutie wordt beoordeeld door met een bepaalde vergroting een diagram te fotograferen met groepen zwarte en witte strepen die steeds smaller worden en daarna met een microscoop het negatief te bekijken met een vergroting van 50x. Meestal wordt resolutie uitgedrukt als numerieke waarde, zoals 50 lijnen of 100 lijnen. Deze waarde geeft het aantal lijnen per millimeter aan van het kleinste patroon met zwarte en witte lijnen dat duidelijk kan worden vastgelegd op de film.

Als alleen de resolutie van een lens moet worden getest, wordt een methode gebruikt waarbij een diagram met fijne resolutie op de locatie wordt geplaatst die correspondeert met het filmvlak, en op een scherm wordt geprojecteerd door de testlens. De numerieke waarde die wordt gebruikt om het resolutievermogen uit te drukken is slechts een indicatie van de mate van resolutie die mogelijk is en zegt niets over de helderheid of het contrast van de resolutie.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

S
Schaduw
Een fenomeen waarbij licht dat op een lens valt, gedeeltelijk wordt geblokkeerd door een obstakel zoals een lenskap of de rand van een filter, waardoor de hoeken van het beeld donkerder worden of het hele beeld lichter wordt. Schaduw is de algemene term die wordt gebruikt voor gevallen waarbij het beeld verslechtert door een of ander obstakel dat lichtstralen blokkeert die eigenlijk op het beeld zouden moeten vallen.

Scherptediepte
Het gebied voor en achter een object waarop is scherpgesteld waarin de gefotografeerde afbeelding scherp is. In andere woorden de diepte van de scherpte voor en achter het object waar de vervaging op het filmvlak binnen de grenzen van de toelaatbare verstrooiingscirkel valt. De scherptediepte varieert met de brandpuntsafstand van de lens, de opening en het opnamebereik. Als deze waarden bekend zijn kan een grove schatting worden berekend van de scherptediepte op basis van de volgende formules:

Scherptediepte voorkant = d · F · a² / (f² + d · F · a)
Scherptediepte achterkant = d · F · a² / (f² - d · F · a)

f: brandpuntsafstand
F: getal F
d: minimale diameter van de verstrooiingscirkel
a: afstand tot object (afstand van het eerste hoofdpunt tot het object)

Als de hyperbrandpuntsafstand bekend is, kunnen de volgende formules ook worden gebruikt:

Grens dichtstbijzijnde punt = (Hyperbrandpuntsafstand X opnamebereik) / (Hyperbrandpuntsafstand + opnamebereik)

Grens verste punt = (Hyperbrandpuntsafstand X opnamebereik) / (Hyperbrandpuntsafstand - opnamebereik)

(Opnamebereik: de afstand tussen filmvlak en object)

In algemene fotografie wordt de scherptediepte gekenmerkt door de volgende eigenschappen:
  1. De scherptediepte is diep bij korte brandpuntsafstanden en ondiep bij lange brandpuntsafstanden.
  2. De scherptediepte is diep bij kleine openingen en ondiep bij grote openingen.
  3. De scherptediepte is diep bij groot opnamebereik en ondiep bij een klein opnamebereik.
  4. De scherptediepte aan de voorkant is ondieper dan aan de achterkant.


Schijnbeeld of geest
Een soort lichtvlek die optreedt wanneer de zon of een andere sterke lichtbron deel uitmaakt van het tafereel en een complexe reeks reflecties tussen de oppervlakken van de lenzen een duidelijk gedefinieerde reflectie veroorzaakt die symmetrisch tegenover de lichtbron zichtbaar is in de afbeelding. Dit fenomeen wordt onderscheiden van lichtvlekken door de term "ghosting" (schijnbeeld) omdat het eruit ziet als een geest. Schijnbeelden die worden veroorzaakt door reflecties van oppervlakken voor de opening, hebben dezelfde vorm als de opening. Een schijnbeeld dat wordt veroorzaakt door reflecties achter de opening ziet eruit als een onscherp gedeelte met een beetje nevel. Aangezien schijnbeelden ook kunnen worden veroorzaakt door sterke lichtbronnen buiten het beeldgebied, kan het gebruik van een lenskap of ander voorwerp dat schaduw geeft, het ongewenste licht blokkeren. Of schijnbeelden daadwerkelijk optreden wanneer de foto wordt gemaakt, kunt u vantevoren controleren door te kijken door de zoeker en gebruik te maken van de controlefunctie voor de scherptediepte van de camera om de lens te sluiten tot de werkelijke opening die wordt gebruikt tijdens de belichting.

Sferische aberratie
Deze aberratie komt in zekere mate voor bij alle lenzen die helemaal zijn opgebouwd uit sferische elementen. Sferische aberratie zorgt ervoor dat parallelle lichtstralen die door de rand van een lens vallen, samenvallen op een brandpunt dat dichter bij de lens ligt dan stralen die door het midden van de lens vallen. (De mate van verschuiving van het brandpunt langs de optische as wordt de longitudinale sferische aberratie genoemd.) De mate van sferische aberratie is meestal groter in lenzen met een grote opening. Een puntbeeld dat last heeft van sferische aberratie is scherp gevormd door lichtstralen dicht bij de optische as, maar heeft last van lichtvlekken van de lichtstralen aan de rand. Deze lichtvlekken worden ook wel een stralenkrans genoemd, waarvan de radius de laterale sferische aberratie wordt genoemd.

Sferische aberratie heeft invloed op het hele beelddeel van het midden tot de randen en geeft een zacht, weinig contrastrijk beeld dat eruit ziet alsof het bedekt is met een dunne sluier. Correctie van sferische aberratie bij sferische lenzen is erg moeilijk. Meestal wordt een combinatie van twee lenzen gebruikt, een holle en een bolle, op basis van lichtstralen met een bepaalde hoogte van de invalshoek (afstand tot de optische as). Er is echter een limiet aan de mogelijke correctie bij gebruik van sferische lenzen, waardoor altijd enige aberratie blijft bestaan. De resterende aberratie kan grotendeels worden geëlimineerd door het diafragma verder te sluiten om de hoeveelheid randbelichting te verminderen. Bij lenzen met een grote opening die volledig geopend is, is de enige effectieve manier om sferische aberratie doeltreffend op te lossen het gebruik van een asferisch lenselement.

Stop/diafragma/opening
De opening waarmee de diameter van de groep lichtstralen die door de lens vallen, wordt aangepast. Bij uitwisselbare lenzen die worden gebruikt in reflexcamera's met één lens, wordt dit mechanisme meestal vormgegeven als een irisdiafragma dat uit verschillende bladen bestaat en kan worden bewogen om de diameter van de opening constant te variëren. Bij lenzen van een conventionele spiegelreflexcamera wordt de opening gevarieerd door een ring te draaien op de cilinder van de lens. Bij moderne cameralenzen wordt de opening meestal geregeld via een elektronische knop op de behuizing van de camera.

Stopfunctie voor autofocus
Een functie die uniek is voor de vier supertelelenzen met beeldstabilisatie van Canon. Op de buitenste ring, vlakbij de voorkant van deze lenzen, bevinden zich vier knoppen. Als u op een van deze knoppen drukt, wordt de autofocus tijdelijk vergrendeld als de camera zich in de stand AI Servo AF bevindt. Op een groot aantal recentere EOS-behuizingen kunt u met deze knoppen uiteenlopende aanvullende functies bedienen.

Super Spectra-coating
Alle EF-lenzen worden voorzien van een coating volgens de standaarden van Canon. Deze zijn zelfs strenger dan de CCI-toleranties die worden bepaald door de ISO (International Standards Organization). De uiteenlopende een- en meerlagige coatings die Canon toepast, worden zo geselecteerd, dat deze optimaal passen bij de breking van de lens waarop deze worden aangebracht. Dit coatingproces, Super Spectra-coating van Canon, zorgt voor een hoge doorlaatbaarheid, het filteren van ultraviolette straling, een zeer duurzaam hard oppervlak en verschillende andere functies en stabiele kenmerken. De superieure beeldkenmerken die dankzij deze veeleisende coatingprocedures worden bereikt, zijn onder meer scherpe, levendige afbeeldingen met een hoog contrast, een uniforme kleurbalans voor de volledige lijn van EF-lenzen en een getrouwe weergave van kleuren die ook na jaren gebruik niet verloren gaat.

Super UD-lenzen
Door de hoge productiekosten van synthetische fluorietkristallen zijn fluorietlenzen extreem duur. Met de komst van UD-glas (Ultra low Dispersion) in de tweede helft van de jaren zeventig, werd een oplossing voor dat probleem gevonden. Dit glas beschikt namelijk over kenmerken die vergelijkbaar zijn met die van fluoriet, maar kan tegen lagere kosten worden geproduceerd. Hoewel de brekingsindices en de dispersie van UD-glas niet gelijk zijn aan die van fluoriet, zijn deze eigenschappen bij UD-glas aanmerkelijk lager dan die van andere soorten glas. UD-glas beschikt bovendien over dispersiekenmerken die gedeeltelijk overeenkomen met die van fluoriet. Door de selectie van de juiste lenselementcombinatie met het oog op de gewenste brandpuntsafstand en andere factoren kan nagenoeg hetzelfde effect worden bereikt als met fluoriet (twee UD-lenselementen zijn equivalent aan één fluoriet element). In 1993 vond een tweede doorbraak plaats; Super UD-glas werd geïntroduceerd. Een nieuw materiaal dat bijna dezelfde prestaties levert als fluoriet tegen lagere kosten en met een nog hogere kwaliteit.

Symmetrische lens
Bij dit type lens heeft de lenzengroep achter het diafragma vrijwel dezelfde configuratie en vorm als de lenzengroep vóór het diafragma. Symmetrische lenzen worden ingedeeld in verschillende typen, zoals Gauss, triplet, Tessar, Topogon en orthometer. Van deze lenstypen vormen het type Gauss en de daarvan afgeleide lenzen tegenwoordig de meest gangbare configuratie.
  • Bij het symmetrische ontwerp van dit type lens kunnen alle soorten aberraties namelijk op evenwichtige wijze worden gecorrigeerd.
  • Bovendien kan een relatief lange backfocus worden bereikt.
De introductie van de Canon 50 mm f/1.8 in 1951 was een historische mijlpaal door de opzienbarende prestatieverbeteringen die de lens bood. De lens maakte een einde aan de coma-aberratie die het enige zwakke punt vormde van de Gauss-lenzen die toen op de markt waren. Canon maakt in zijn huidige lenzen nog steeds gebruik van een Gauss-constructie, zoals bij de EF 50 mm f/1.8 II, EF 50 mm f/1.0L USM, EF 50 mm f/1.4 USM en de EF 85 mm f/1.2L USM. De symmetrische configuraties van het type Tessar en triplet worden standaard gebruikt in compacte camera's die zijn voorzien van lenzen met enkelvoudige brandpuntsafstand.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

T
Telelens
Bij standaardfotolenzen is de lengte van een lens (de afstand van de top van het voorste lenselement tot het brandvlak) langer dan de brandpuntsafstand. Dit is niet het geval bij lenzen met een uitzonderlijk lange brandpuntsafstand omdat het gebruik van een normale lensconstructie voor telelenzen een zeer grote, onhandelbare lens zou opleveren. Om de grootte van zo'n lens in de hand te houden, met behoud van de gewenste lange brandpuntsafstand, wordt een concave (negatieve) lensassemblage tussen de hoofdassemblage met convexe (positieve) lenzen geplaatst. Dit levert een lens op die korter is dan zijn eigen brandpuntsafstand. Lenzen van dit type worden telelenzen genoemd. In een telelens bevindt het tweede hoofdpunt zich vóór het voorste lenselement.

Telelensverhouding
De verhouding tussen de lengte van een telelens en de brandpuntsafstand van de lens wordt de telelensverhouding genoemd. Anders geformuleerd is dit de waarde van de afstand van de top van het voorste lenselement tot het brandvlak gedeeld door de brandpuntsafstand. Bij telelenzen is deze waarde kleiner dan een. Ter illustratie: de telelensverhouding van de EF 300 mm f/2.8L USM is 0,91 en de verhouding voor de EF 600 mm f/4L USM is 0,78.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

U
UD-glas
Fluorietlenzen zijn extreem duur door de hoge productiekosten van synthetische fluorietkristallen. Met de komst van UD-glas (Ultra low Dispersion), in de tweede helft van de jaren zeventig, werd een oplossing voor dat probleem gevonden en ging opnieuw een wens van lensontwerpers in vervulling. Dit speciale optische glas beschikt namelijk over kenmerken die vergelijkbaar zijn met die van fluoriet, maar kan tegen lagere kosten worden geproduceerd. Hoewel de brekingsindex en de dispersie van UD-glas niet gelijk zijn aan die van fluoriet, zijn deze eigenschappen bij UD-glas aanmerkelijk lager dan die van andere soorten glas.

UD-glas beschikt bovendien over dispersiekenmerken die gedeeltelijk overeenkomen met die van fluoriet. Door de selectie van de juiste lenselementcombinatie met het oog op de gewenste brandpuntsafstand en andere factoren kan nagenoeg hetzelfde effect worden bereikt als met fluoriet (twee UD-lenselementen zijn equivalent aan één fluoriet element). In 1993 werd Super UD-glas geïntroduceerd, een nieuw materiaal dat bijna dezelfde prestaties levert als fluoriet tegen lagere kosten en met een hogere kwaliteit.

USM (Utrasone Motor)
In 1987 maakte Canon, de eerste camerafabrikant, gebruik van een geavanceerde USM (Ultrasone Motor) en deed de wereld versteld staan met de stille, supersnelle autofocusprestaties van de EF 300 mm f/2.8L USM. In 1990 ontwikkelde Canon vervolgens de ringvormige USM, die een lagere kostprijs had en werd toegepast in uiteenlopende, aantrekkelijk geprijsde lenzen. Deze prestatie werd in 1992 gevolgd door de ontwikkeling van een nieuw type micro-USM, waardoor de productie kon worden geautomatiseerd. Canon komt elke dag een stap dichter bij zijn doelstelling om elke EF-lens van een USM te voorzien. Kenmerkend voor de ringvormige USM is het feit dat de motor zonder problemen en bij lage snelheid de hoge torsie kan produceren die nodig is voor directe aandrijving. Dankzij de hoge stilstandtorsie houdt de schijfrem de lens automatisch op zijn plaats zodra de motor stopt.

De constructie van de USM is uiterst eenvoudig, de werking geschiedt nagenoeg geruisloos en de USM biedt uitstekende responstijden en besturingskenmerken bij starten en stoppen. Door de hoge efficiëntie en het lage energieverbruik kan de USM worden aangedreven door de batterij van de camera. De ringvorm van de motor is uitermate geschikt voor lensbuistoepassingen. De lage rotatiesnelheid is ideaal voor de aandrijving van lenzen. De besturing van de rotatiesnelheid heeft een groot en variabel bereik van 0,2 rpm tot 80 rpm, waardoor een zeer nauwkeurige en snelle lensaandrijving wordt gerealiseerd. Ook handmatige scherpstelling met variabele elektronische gevoeligheid is beschikbaar. Het grote bedrijfstemperatuurbereik van -30 ºC tot +60 ºC (-22 ºF tot 140 ºF) waarborgt een stabiele werking, zelfs onder zeer moeilijke klimatologische omstandigheden. Ten slotte wordt de besturing van de lensaandrijving volledig uitgevoerd door de microprocessor die zich in de lens bevindt.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

V
Veldkromming
Veldkromming is een fenomeen dat ervoor zorgt dat het vormvlak van de afbeelding krom wordt, zoals de binnenkant van een platte kom, waardoor de lens geen vlakke afbeelding van een vlak object kan maken. Als wordt scherpgesteld op het midden van de afbeelding, is de rand onscherp en wanneer de rand scherp is, is het midden onscherp. De mate van veldkromming wordt grotendeels bepaald door de methode die wordt gebruikt om astigmatisme te corrigeren. Aangezien het beeldvlak valt tussen het sagitaalvlak en het meridiaanvlak, geeft een goede correctie van astigmatisme een kleine veldkromming. Aangezien veldkromming niet echt kan worden verbeterd door de lens te diafragmeren, verminderen ontwikkelaars van lenzen het fenomeen zo veel mogelijk met diverse andere methoden, zoals verandering van de vorm van de verschillende lenselementen waaruit de lens bestaat en het wijzigen van de positie van de opening. Hierbij moet worden voldaan aan één voorwaarde, namelijk de voorwaarde van Petzval (1843) zodat astigmatisme en veldkromming gelijktijdig worden gecorrigeerd. De voorwaarde van Petzval is dat een lenselement goed is als het resultaat nul wordt bereikt wanneer het omgekeerde van het product van de brekingsindex en de brandpuntsafstand van dat lenselement wordt opgeteld bij het totale aantal elementen waaruit de lens bestaat. Deze som wordt de som van Petzval genoemd.

Vermindering van de totale lengte van de lens
Om de lengte van een telefotolens te verminderen is het noodzakelijk om de gezamenlijke sterkte van de bol-holgroepen te vergroten. Dankzij de lage brekingsindex van fluoriet is het mogelijk aanzienlijke reductie te bereiken in de lengte van de lens terwijl een hoge beeldkwaliteit behouden blijft.

Hoewel de buitengewone optische eigenschappen van fluoriet al in de 19e eeuw werden ontdekt en ontwikkelaars van lenzen het al lang wilden gebruiken, zijn natuurlijk gevormde stukken fluoriet, die groot genoeg zijn voor de productie van lenzen, zeer zeldzaam. Canon wilde dit probleem oplossen en begon met de ontwikkeling van synthetische kristallen. Dit resulteerde in een praktische productietechnologie van fluoriet aan het einde van de jaren zestig van de vorige eeuw.

Verstrooiingscirkel
Omdat alle lenzen een bepaalde mate van sferische aberratie en astigmatisme vertonen, kunnen lenzen de stralen van een punt op een object niet perfect convergeren tot een echt beeldpunt (een oneindig kleine stip zonder oppervlak). Met andere woorden: beelden zijn samengesteld uit een aantal stippen (niet punten) met een bepaald oppervlak of een bepaalde grootte. Omdat de scherpte van het beeld afneemt naarmate de grote van de stippen toeneemt, worden de stippen verstrooiingscirkels genoemd. De kwaliteit van een lens kan derhalve worden aangegeven met de grootte van de kleinste stip die met de lens kan worden weergegeven, of de kleinste verstrooiingscirkel. De maximaal toegestane stipgrootte wordt de toegestane verstrooiingscirkel genoemd.

Verziendheid
Afwijking van het oog waarbij het beeld van een oneindig ver punt wordt gevormd op het netvlies wanneer het oog zich in de neutrale stand bevindt.

Vignettering
Lichtstralen die vanaf de randen van het beeldgebied de lens binnenvallen, worden gedeeltelijk geblokkeerd door de lenshouders vóór en achter het diafragma. Hierdoor vallen niet alle stralen door de effectieve opening (diameter van het diafragma) en ontstaat lichtverlies aan de randen van het beeld. Dit soort vignettering kan worden geëlimineerd door een kleiner diafragma te kiezen.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

W
Werkafstand
De afstand van de voorzijde van de lensbuis tot het te fotograferen object. Een belangrijke factor bij het nemen van close-ups en het maken van vergrotingen.

Index naar boven
A B C D E F G H I L M N O P R S T U V W Z

Z
Zoomlenzen
Met één zoomlens kunt u het werk doen van een aantal lenzen met een vaste brandpuntsafstand. Dankzij de snelle werking van de lens kunt u een situatie over de volledige breedte vastleggen met een groothoekinstelling of kunt u snel inzoomen om een close-up van een aantrekkelijk hoogtepunt te maken in de telestand. Telezoomlenzen voegen een extra dimensie toe aan de systeemprestaties van EOS. U kunt bewegende onderwerpen zoals atleten of dieren in actie volgen en de karakteristieke geringe velddiepte en het compressie-effect van de telelens ervaren terwijl u geniet van deze extra dimensie van expressieve kracht.

Zwevend systeem
Algemene fotolenzen worden ontworpen met een optimale balans voor de compensatie van aberraties voor slechts één veelgebruikt opnamebereik. Hoewel de aberraties goed worden gecompenseerd voor het ijkopnamebereik, nemen de aberraties toe bij andere opnamebereiken (vooral bij dichtbijzijnde objecten), wat de kwaliteit van de foto niet ten goede komt. Om dit te voorkomen wordt een zwevend systeem gebruikt, waarbij het interval tussen bepaalde lenselementen varieert naar gelang de mate van verlenging. Deze methode wordt ook wel compensatie van afwijkingen op korte afstand genoemd.

Bron: canon.nl